Een keer per jaar gaat de Natuurgroep een kijkje nemen in het Schimmelrijk en zoals al vele jaren gidste Marianne Oude Tijdhof ons daar bekwaam doorheen. Met haar meegerekend zijn we met zijn achten. Het is regenachtig donker weer en het valt het eerste uur dan ook niet mee de vruchten van de schimmels die we nog steeds met die rare naam ‘paddenstoelen’ aanduiden op te merken. Omdat alle zeven deelnemers ook al in eerdere jaren van de partij waren hoeft niet opnieuw gezegd te worden dat paddenstoelen vergelijkbaar zijn met appels en peren, maar met dit verschil dat je bij appels en peren de boom ziet waar ze aanhangen, maar dat die ‘boom’ waar de vruchten van schimmels aan groeien niet te zien is, en dat heeft nogal wat gevolgen, zowel in vroegere tijden als in de onze.
De mens is namelijk het enige levende wezen dat de onweerstaanbare behoefte heeft voor dingen die gebeuren een verklaring te bedenken. Dieren als slakken en eekhoorns vragen zich alleen af of die paddenstoel voor hun neus te eten is, maar een mens wil ook weten waar dat ding dat er gisteren nog niet was zo opeens vandaan komt. Bedenk dat pas eind 16e eeuw de microscoop wordt uitgevonden, en zonder die uitvinding is het lastig achterhalen wat de oorsprong is van die plotseling opduikende groeisels, die bij voorkeur verschijnen in de duistere natte herfst en die vaak even snel verdwenen zijn als ze verschijnen. Je kunt het aan de namen al zien in welke richting onze voorouders de ‘verklaring’ gingen zoeken: in de hoek van duistere magie.
Paddenstoelen werden met padden en andere wezens geassocieerd en dat soort wezens houden zich zoals iedereen kan weten in de buurt van heksen op. Zo zouden ze graag groeien op plekken waar heksen ’s nachts hun duistere dansen uitvoeren. Het woord ‘heksenkring’ komt daar vandaan, en ook woorden als het ‘heksen- of duivelsei’ dat we vorig jaar bij de grote stinkzwam aantroffen, blijven we nog steeds gebruiken, ook al hebben we ons geloof in heksen verloren en zien we in onze verbeelding geen padden meer op boleten zitten, zoals op het gewone eekhoorntjesbrood waarvan we er deze excursie een paar prachtexemplaren aantroffen! Daar hebben we intussen te veel kennis voor, of misschien denken we alleen maar dat we veel intelligenter zijn dan onze voorouders! We menen intussen zoveel slimmer te zijn dat we in onze landbouw de bodem min of meer als levenloos denken te mogen behandelen: wat kunnen ons die schimmels en bacteriën schelen als we ze door de kunstmest overbodig hebben gemaakt! Maar hier en daar ontstaat toch enige twijfel of dat wel zo’n slim idee is.

Evenals vorig jaar treffen we elkaar op de parkeerplaats van hotel-restaurant De Zwaan, nemen ongeveer dezelfde route via de ingang bij de Middelkampweg, afslag Dassen Hendrik Pad, en zullen ongeveer eenzelfde aantal paddenstoelen te zien krijgen, namelijk ongeveer 65. Een dertigtal daarvan stonden vorig jaar ook op ons lijstje. Zo wijst Marianne ons ook dit keer op het gestreepte nestzwammetje, alleen zitten er dit jaar geen witte klompjes in de kleine kommetjes. In die klompjes, ook peridiolen geheten, zitten de sporen van het zwammetje en die sporen worden weggeslingerd als er een druppel regen op valt. De regen speelde vandaag ook op een andere manier een rol bij het herkennen van paddenstoelen: bij de amanieten zoals de vliegenzwam de parelamaniet en de gele knolamaniet is het vruchtlichaam bij hun ontstaan omgeven door een vlies waarvan de resten als vlokken op op de hoed achterblijven. Maar als het geregend heeft kunnen die eraf spoelen. Dat was bij de aangetroffen parelamaniet het geval, waardoor hij misschien verwisseld zou kunnen worden met de behoorlijk giftige panteramaniet. Een nieuwe soort dit jaar was de valse teervlekkenzwam, pas kortgeleden (2012) tijdens een werkweek van de Nederlandse Mycologische Vereniging voor het eerst ontdekt op een beuk in Groningen. Hij wordt vals genoemd omdat tot dat moment gedacht werd dat er van dit geslacht maar één soort was.
Soms kunnen bij paddenstoelen bijzondere misvormingen voorkomen. Marianne wijst ons op een satijnzwam en hier zou het gaan om een aangeboren (zogenaamde teratologische) afwijking. Met de loep van onze gids kijken we naar de oranje druppelzwam, een opruimer van organisch materiaal, een saprofyt dus, een term die nog stamt uit de tijd dat schimmels tot de plantenwereld werden gerekend, en dat doet hij door enzymen uit te scheiden die het dode materiaal afbreken in kleine verteerbare deeltjes, Met enige regelmaat valt de naam russula, maar daar zijn er zoveel van dat Marianne niet altijd met zekerheid kan zeggen welk soort precies, Zij was wel zeker van de braakrussula, geelwitte russula, grofplaatrussula en de kamrussula. Een geslacht waar eveneens niet altijd duidelijk was met welke soort we te maken hadden waren de mycena’s. Zoals altijd had Marianne in de dagen hiervoor de route voorgelopen en daarbij ontdekte ze de purpersnedemycena! En dat is bepaald geen algemene soort! Jammer genoeg kon zij hem deze zondagochtend niet terugvinden. Wat we uit dat geslacht wel terugzagen was het rozig heksenschermpje, gewoon elfenschermpje, helmmycena, fraaisteelmycena. Wie van u wil weten welke de andere geslachten met hun soorten zijn die we tegenkwamen moet naar de site van de natuur- en vogelwerkgroep de Grutto gaan. Met de kanttekening dat enig achterstallig onderhoud de reden kan zijn dat u nog wat geduld moet hebben.
Tijdens excursies zien we veel, maar lang niet alles: sommige levende wezens zijn zo klein dat je ze ook niet kúnt zien: die wezentjes noem je micro-organismen of microben. Daar vallen de schimmels onder, bacteriën, virussen. Niet alleen de bomen en planten waar we tijdens deze excursie bij stilstonden omdat er paddenstoelen bij of op groeiden hebben die micro-organismen nodig om te kunnen leven, maar evengoed dieren en wij mensen. Dus als straks de koeien weer naar buiten mogen en je ze gras ziet eten, denk dan niet te vlug, dat het de koe is die gras eet: hij kan dat alleen maar omdat hij hulp krijgt van bacteriën in zijn maag die hem helpen het gras te verteren. En dat gaat voor ons mensen net zo goed op: zonder microben in onze darmen (artsen spreken van ‘darmflora’) zou ons voedsel niet tot poep verteren en zouden we een zware pijp roken. Ons lichaam is geen, wat op het eerste oog lijkt, los op zichzelf staand ding maar eerder, zoals de mycoloog Sheldrake dat noemt, een verblijfplaats (het woord ecologie komt van het Griekse woord oikos, dat huis, woning betekent). In de loop van de evolutie zijn ook wijzelf gaan samenwerken met schimmels en bacteriën, net zoals de bomen en struiken waar we vandaag stil bij stonden, en dat is toch wel iets waar we ons over mogen verwonderen. Evenmin vanzelfsprekend is dat Toon Zonder koffie met koeken tevoorschijn tovert, ook deze keer weer. Wanneer Marianne tenslotte evenals Toon zijn bedankt, keert eenieder zo te zien tevreden huiswaarts.
Antoon van der Vring